• Startdatum:
  • 26 september 2019
  • Cursusduur:
  • 8 dagen
  • Rechtsgebied:
  • Algemeen
  • Soort:
  • Cursus
  • Accreditaties
  • NOVA:
  • 12

In de unieke PAO leergang ‘Recht en Existentialisme in Filosofie en Literatuur’ staan werken van grote auteurs als Nietzsche, Dostojevski, Unamuno, Kafka, Sartre en Camus centraal. Deze werken hebben met elkaar gemeen dat zij nauw verbonden zijn met het existentialisme; een zeer invloedrijke stroming die zowel de filosofie als de literatuur betreft. Niettegenstaande het diverse karakter van deze stroming kan worden gesteld dat het existentialisme leert dat de wereld niet zonder meer in begrippen, wetten, mechanismen en systemen gevangen kan worden. 

Deze stroming is zeer invloedrijk geweest en is dat nog altijd. In de rechtsgeleerdheid, die gekenmerkt wordt door algemene normen en wetten, is haar relevantie grotendeels miskend. Ten onrechte, zo zal blijken: het existentialisme biedt uitdagende en prikkelende inzichten ten aanzien van de theorie en de praktijk van het recht. In deze lezingenreeks wordt dit potentieel verkend. Wat kan het existentialisme betekenen voor het recht, dat toch vooral lijkt te berusten op positieve kennis, techniek en systematiek? In acht bijeenkomsten bezinnen wij ons op de betekenis van het existentialisme. Beroemde filosofische en literaire werken dienen als uitgangspunt voor reflectie op recht en rechtvaardigheid.
Ter inleiding beginnen wij met het denken van de beroemde rechtsfilosoof en rechter Paul Scholten. Uiteenlopende thema’s als schuld en onschuld, vrijheid, en de legitimatie van staat en recht komen uitgebreid aan bod. Dit leidt niet alleen tot interessante en uitdagende visies op het recht. Tevens geeft dit dieper(e) inzicht(en) in de werking van literatuur en het belang daarvan voor recht en rechtsvinding. De nadruk ligt op het verband tussen recht en kunst en het belang van literatuur en de menswetenschappen.

Deze leergang heeft een ander en eigen karakter dan andere PAO-cursussen. De deelnemers worden uitgedaagd om uit gangbare denkpatronen te treden. In deze bijeenkomsten worden daarom ook geen pasklare antwoorden verschaft, maar vragen geformuleerd die aanzetten tot levensbeschouwing, kritische reflectie op het recht, de rechtspraktijk – en de eigen vooronderstellingen daaromtrent. Aldus wordt ook het eigen oordeelsvermogen ontwikkeld.

Docenten
mr. dr. Claudia Bouteligier
Claudia Bouteligier is universitair docent bij de sectie Sociologie, Theorie en Methodologie aan de Erasmus School of Law in Rotterdam. Zij promoveerde aan de Universiteit Leiden op een proefschrift over 'Recht en literatuur', getiteld Dialoog in recht en literatuur. Een kritiek van de narratieve rede (Turnhout: Gompel&Svacina 2018). In dit proefschrift onderzoekt zij vanuit het perspectief van literatuur en dialogische filosofie (resp. Dostojevski en Buber) zowel grondslagen van het recht als kernveronderstellingen binnen 'Recht en literatuur'.

dr. Timo Slootweg
Timo Slootweg doceert rechtsfilosofie en ethiek aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. Hij studeerde geschiedenis (EUR) en wijsbegeerte (UL). Hij promoveerde aan de Faculteit Wijsbegeerte te Rotterdam: Geschiedenis en ethiek: historisch besef in de traditie van Hegel, Heidegger en Derrida (2000). Hij doceerde enkele jaren Filosofie van de Geschiedenis aan de EUR. Zijn huidige onderzoeksinteresse betreft de filosofie en theologie van het recht in verband met het (christelijk) existentialisme, de dialogische filosofie en het postmodernisme. Hij publiceerde veelvuldig over het rechtsfilosofisch personalisme van Paul Scholten. Hij is in het bijzonder geïnteresseerd in de esthetische en tragische dimensies van politiek en recht: een monografie daarover is in voorbereiding. In 2016 publiceerde hij Uit de schaduw van de wet. Inleiding tot de esthetica van het recht (Garant: Antwerpen). Lees meer...

Onlangs is van deze docenten nieuw verschenen: Rechtvaardigheid, persoon en creativiteit, Personalisme in recht en politiek

Doelgroep
De leergang staat open voor zowel alumni als juridische professionals (o.m. uit de advocatuur en de rechterlijke macht). Voor professionals geldt dat zij gecertificeerde PAO-punten kunnen behalen. Iedere afzonderlijke bijeenkomst staat voor 2 punten; bij het volgen van de gehele reeks zijn 16 punten te behalen. ‘Recht en existentialisme in filosofie en literatuur’ werd eerder verzorgd als lezingenreeks van Recht en Literatuur (voorheen Recht en Literatuur Leiden). Wegens de overweldigende belangstelling wordt deze bijzondere leergang nu in samenwerking met Juridisch PAO Leiden herhaald.

Literatuur
De literatuur die besproken wordt staat voor de start van de bijeenkomsten voor u klaar bij de documenten van de leergang in uw Mijn Juridisch PAO account.  Voor wat betreft de romans: u bent vrij om een vertaling/uitgave naar keuze te lezen. In uw Mijn Juridisch PAO account vindt u de online gratis Engelse vertalingen van de romans. Achteraf kunt u het cursusboek Claudia Bouteligier & Timo Slootweg, Recht en existentie in filosofie en literatuur, Turnhout: Gompel&Svacina, 2018 raadplegen. Dit hoeft u dus niet op voorhand van de bijeenkomsten te bestuderen.
 

Bijeenkomst 1: Inleiding: Paul Scholten over Recht en levensbeschouwing
Deze bijeenkomst heeft een inleidend karakter. Deelnemers hebben geen voorkennis nodig in Recht en Literatuur of Rechtsfilosofie. 

Bijeenkomst 2: Nietzsche en tragedie: Over Aeschylus’ Prometheus en de filosofische erfenis van Plato en Aristoteles
Wat hebben recht en tragedie met elkaar te maken? Zoeken naar gerechtigheid is een vorm van kunst, zo stelt Timo Slootweg in zijn boek Uit de schaduw van de wet (2016). De esthetica is de filosofie van de kunst. Hoe kan dit principe van toepassing zijn op het recht? De esthetica van het recht beoogt een filosofisch onderzoek naar de kunst van recht en van rechtsvinding (het doen van recht). In deze bijeenkomst geeft Slootweg een inleiding in deze esthetica. Hij daagt de deelnemers uit om na te denken op welke wijze verbeelding en literatuur kunnen bijdragen aan een beter begrip van het recht. Wat kunnen de filosofie en de wetenschap leren van literatuur? Om deze vraag te beantwoorden, wordt vertrokken vanuit Friedrich Nietzsche’s beroemde, vroege werk De geboorte van de tragedie (1872). Dit boek is uiterst prikkelend en relevant; het gaat over de opkomst en neergang van de Griekse tragedie als kunstvorm, als dichterlijke denkwijze en wereldbeschouwing. De Griekse tragedie was een unieke combinatie van het rationele en irrationele, van orde en wanorde, van het wetmatige en het illegale. Of zoals Nietzsche het zegt: van het ‘apollinische’ en het ‘dionysische’. De tragedie, als kunstvorm van een uiterst zeldzame tragische combinatie van levenskrachten, heeft echter maar kort bestaan. De ratio temde de hartstocht die voor deze kunstvorm van essentiële betekenis was. Het tragische moest plaatsmaken voor filosofie en moraliteit, voor de logica en het verstand. Het apollinische werd heer en meester, ten koste van de tragische levenskunst.

Wat was de Griekse tragedie eigenlijk, volgens Nietzsche? Waarom heeft hij het over de dood en de wedergeboorte van de tragedie? Wie of wat heeft de tragedie als kunstvorm doen verdwijnen? Welke rol speelt de filosofie en de wetenschap daarbij? Wat betekent dit alles voor de rechtswetenschap? Timo Slootweg neemt de deelnemers mee op reis langs de gewesten van de tragedie. De eerste bijeenkomst biedt een theoretische inleiding voor deze leergang: in de volgende bijeenkomsten wordt veelvuldig terugverwezen naar Nietzsche.

Nietzsche over Prometheus, Plato en Aristoteles
Allereerst wordt Nietzsche’s benadering van de tragedie in grote lijnen uiteengezet. Om het eigen karakter daarvan scherp te profileren, wordt deze onderscheiden van de zeer invloedrijke, esthetica van Plato en Aristoteles. In lijn met Nietzsche zoeken wij naar de mogelijkheid van een ‘wedergeboorte van de tragedie’. Deze wedergeboorte blijkt ook uit de geest van het moderne christendom en het christelijk existentialisme. Vooral bij Dostojevski en Unamuno - die in de volgende bijeenkomsten centraal staan - hervinden wij het tragische besef, al is het dan in andere vorm. Slootweg besluit met de vraag wat het belang van dit alles kan zijn voor het recht: waarom en in hoeverre vraagt het recht om het tragisch besef en om creativiteit? Waarom zouden we het recht moeten zien als een ars inveniendi?

Bijeenkomst 3: Dostojevski in rechtsfilosofisch perspectief
Ziet u, heren, de rede is iets positiefs, dat staat buiten kijf, maar de rede is slechts de rede en bevredigt alleen het verstandelijke vermogen van de mens, maar het willen is een uitingsvorm van het hele leven, dat wil zeggen van heel het menselijk leven, de rede en alle soorten orenkrabberij inbegrepen. En hoewel het leven zoals het zich daarin uit vaak niet veel fraais blijkt te zijn, is het toch het leven, en niet alleen maar een vierkantsvergelijking.
(Aantekeningen)

Toen kwam ook de wetenschap tot hen. Toen zij verdorven waren, begonnen zij over broederschap en humaniteit te spreken en begrepen ze deze ideeën. Toen zij misdadigers werden, vonden zij het recht en de wet uit en schreven wetboeken vol om de gerechtigheid te beschermen; om het recht zeker te stellen werd de guillotine uitgevonden.
(De droom)

Fjodor Michailovitsj Dostojevski (1821-1881) wordt beschouwd als een van de grootste schrijvers van de negentiende eeuw. Hij is van ongekende invloed geweest op schrijvers en filosofen waaronder Nietzsche, Sartre, Kafka en Camus, auteurs die later in deze leergang uitgebreid aan bod komen. Nog voordat Nietzsche zijn dolle mens liet uitroepen dat God dood is, werkte Dostojevski de veranderende verhouding tussen mens en God al in meerdere literaire teksten uit: ‘Als God dood is, is alles geoorloofd’. Maar in tegenstelling tot Nietzsche, die zijn heil zocht in het overwinnen van de mens zonder God, keert Dostojevski juist terug naar het christelijk geloof in God en de onsterfelijkheid.

Broederschap en het recht
Dostojevski's christelijk geïnspireerde boodschap biedt een onmisbare bron van inspiratie. Zijn werk kenmerkt zich door een verlangen naar menselijkheid, naar eenvoud en liefde. Voor het recht zijn deze thema's buitengewoon belangrijk. Het moderne recht is in hoge mate gevormd door het zeventiende- en achttiende-eeuwse Verlichtingsdenken, waarin kennis en wetenschap centraal staan. Dit rationeel- wetenschappelijk denken domineert ook het huidige recht en de rechtswetenschap.

Dostojevski vestigt echter de aandacht op broederschap en aandacht voor de concrete naaste. Op scherpzinnige wijze onthult hij hoe het Verlichtingsdenken de concrete ander tekort doet. Hij toont indringend wat het gevaar is wanneer een persoon zich enkel door zijn rede of door een idee laat leiden en wat er gebeurt wanneer we de ander en de wereld begripsmatig willen vangen en (be)grijpen. Dostojevski confronteert de lezer met gevaarlijke consequenties van het Verlichtingsdenken: de verhouding tot de ander verkilt en versteent, waardoor de wereld van individualisme en vervreemding wordt opgeroepen. Voor het recht betekent dit dat voor menselijkheid en broederschap geen plaats is. Kan dan nog sprake zijn van rechtvaardigheid?

Twee werken: Aantekeningen en De droom
Tijdens deze derde bijeenkomst geeft Claudia Bouteligier een introductie tot deze rechtsfilosofische dimensie van Dostojevski. Hiertoe worden het korte verhaal De droom van een belachelijk mens. Een fantastische vertelling (1877) en de roman Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) besproken. Beide werken bevatten kernthema's van Dostojevski. Zijn kritiek op het rationalisme, de strijd tussen het hart en het verstand; de morele wedergeboorte door middel van een droom en ten slotte de inspiratie van christelijke compassie en liefde die tot transformatie en wedergeboorte kan leiden.


Bijeenkomst 4: 'De grootinquisiteur' van Dostojevski
De gebroeders Karamazov is de laatste roman van Dostojevski. Hij schreef het in 1880, een jaar voor zijn dood. Vrijwel alle (post-Siberische) problematieken die hem jarenlang bezig hebben gehouden, heeft hij in dit verhaal verwerkt. Dat maakt De gebroeders Karamazov niet alleen een absoluut hoogtepunt in zijn eigen oeuvre. Vanwege de rijkdom aan thema's en de gelaagdheid ervan beschouwen velen deze roman als een van de grote werken uit de wereldliteratuur.

Naast de kernthema's die eerder aan bod zijn gekomen in De droom en Aantekeningen snijdt Dostojevski in De gebroeders Karamazov andere grote vraagstukken aan. Zo komen onder meer het conflict tussen de rede en geloof, de Russische ziel en het probleem van de theodicee aan de orde. Ook heeft hij in deze roman expliciet juridische onderwerpen opgenomen die belangrijke implicaties hebben voor het denken over recht en rechtvaardigheid.

De grootinquisiteur
In het hart van de roman (hoofdstuk 5 uit Boek VI) heeft Dostojevski De legende van de grootinquisiteur opgenomen. In de theaterbijeenkomst staan we stil bij deze beroemde legende over de terugkeer van Christus op aarde en wijze waarop hij door de kerk ontvangen wordt. De grootinquisiteur is een 'verhaal in een verhaal', bedacht en verteld door Ivan Karamazov. Ivan is een typisch dostojevskiaanse jonge intellectueel. Zijn legende verwoordt de opstand van Ivan tegen de wereld die God geschapen heeft.

De grootinquisiteur kan niet los worden gezien van het geheel waarin het is opgenomen: de roman De gebroeders Karamazov. Wat is de plaats en de rol van deze legende? Wat is de relatie van het verhaal tot het grotere verhaal van de roman? Vanuit deze vragen legt Claudia Bouteligier de link naar de vorige bijeenkomst over Dostojevski en de rechtsfilosofische betekenis van deze beroemde legende.

Moet mijn nietige persoon u eraan herinneren dat het Russische recht niet alleen inhoudt het straffen, maar evenzeer het redden van een verloren mensenkind? Laat bij andere volkeren de letter van de wet en de straf prevaleren, bij ons evenwel gaat het om de geest en het inzicht, de redding en de geestelijke hergeboorte van de verloren gegane mens.

Slootweg bespreekt de Bijbelse betekenissen en de theologische achtergronden van de legende. De grootinquisiteur richt zich tegen Christus en tegen de geest van de liefde, die hij voor deze wereld niet geschikt acht. Volgens de grootinquisiteur werkt de boodschap van Christus’ boodschap van vrijheid en liefde niet. De grotere gerechtigheid van de liefde is onhaalbaar voor de mens. Het is te elitair. Uit liefde voor de mensheid is een aangepast christendom het hoogst haalbare: een legistisch en juridisch christendom, zonder de last van vrijheid en geweten. Het hoogst haalbare is een barmhartige kerk die voorziet in wat mensen echt willen: vrede en veiligheid, de verzekering van het voortbestaan, door rigide wetten en procedures.

Om zijn verhaal kracht bij te zetten, verwijst de grootinquisiteur naar het verhaal van Christus in de woestijn. Na zijn doop ging hij 40 dagen vasten in de woestijn, waar hij bezocht werd door Satan. Christus wees diens drie verzoekingen af, maar nu heeft de kerk ze alsnog aangenomen. Dat is wat de grootinquisiteur Christus verwijt: uit liefde voor de mens had Christus het aanbod van Satan aan moeten nemen.

Het is de kunst van Dostojevski dat hij het vertoog van de grootinquisiteur uiterst verleidelijk en heel logisch doet klinken. Maar al mag, wat hij zegt, nóg zo aannemelijk en aantrekkelijk klinken, voor de zwijgende Christus klaagt hij zichzelf daarmee aan: de gerechtigheid gaat zijn logica te boven.


Bijeenkomst 5: Unamuno over Don Quichot en het tragisch levensgevoel
Miguel de Unamuno (1864-1936) is na Cervantes, Spanjes meest geniale schrijver. Hij is ook een exegeet van Cervantes’ Don Quichot, en in menig opzicht diens eigentijdse personificatie. Net als de Don bestormt Unamuno de windmolens van de moderniteit en het filosofische rationalisme. Hij strijdt tegen de orthodoxie van de moderne wetenschappelijke inquisitie. Niet in filosofische stelsels maar in poëzie, religie en mystiek is volgens hem de ware levensbeschouwing te vinden.

De filosofie in de ziel van mijn volk komt mij voor als de uiting van een innerlijke tragedie, vergelijkbaar met de tragedie in de ziel van Don Quichot, als de afspiegeling van een strijd tussen wat de wereld is volgens de wetenschappelijke rede en wat wij willen dat de wereld is volgens ons religieus geloof. […] Don Quichot legt zich niet neer bij de wereld met haar waarheid, haar wetenschap of logica.

Verbannen uit zijn vaderland wegens majesteitsschennis en gemangeld door twee dictators, belichaamt deze grote denker en dichter het beste van zijn volk. Unamuno's oeuvre omvat uiteenlopende genres. Zijn magnum opus, Del sentimiento trágico de la vida en los hombres y en los pueblos (Over het tragisch levensgevoel in de mensen en in de volken) uit 1912, verscheen in alle talen en sinds 2015 ook in het Nederlands.

Unamuno is vooral bekend als romanschrijver (zoals Niebla, in het Nederlands vertaald als Nevel). Maar in zijn eigen tijd werd hij juist algemeen gerespecteerd als een groot denker. Het tragisch levensgevoel wordt tot op de dag van vandaag goed gelezen. De beroemde Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges beschouwde dit werk als het grootste Spaanse werk van de twintigste eeuw. Hierin meet Unamuno zich met de grootste denkers en ideeën uit de geschiedenis van de filosofie, zoals met Spinoza en Nietzsche.

Ieder weldenkend mens, meent Unanumo, wordt geconfronteerd met de innerlijke strijd tussen hoofd en hart en tussen rede en geloof – thema’s die reeds bij Dostojevski aan de orde kwamen. Deze innerlijke strijd gaat gepaard met het tragisch levensgevoel. Voor wie geluk zoekt lijkt dit niet direct aantrekkelijk, maar wie zich niet bekommert om de onsterfelijkheid van de ziel en God, veronachtzaamt de belangrijkste levensbeschouwelijke en existentiële vragen.

Het werk van Unamuno is sterk beïnvloed door Blaise Pascal en Søren Kierkegaard. Maar zoals gezegd is ook Nietzsche voor hem van groot belang. In Het tragisch levensgevoel vestigt Unamuno de aandacht van de lezer op de waarde van het leven; op ‘de mens van vlees en bloed’; op zijn honger naar onsterfelijkheid; op de ontbinding van het rationele; op het belang van de naastenliefde en de menselijke persoonlijkheid.

De zin van het bestaan is niet zomaar verstandig te leven, door het individuele voortbestaan zolang mogelijk te rekken en veilig te stellen, door middel van de wet en het recht. Onsterfelijkheid vinden wij juist door niet al te verstandig en krampachtig aan onszelf vast te houden, maar door onszelf aan de ander weg te schenken, door te lijden en te sterven en door aldus de wereld om te vormen en te vereeuwigen. Door zijn dwaasheid, door zich onsterfelijk belachelijk te maken verwierf ook Don Quichot, de Ridder van de Droevige Figuur, het eeuwige leven.

Niet ten onrechte wordt Unamuno in verband gesteld met het christelijk existentialisme en wijsgerig ‘personalisme’, een belangrijke twintigste-eeuwse variant van het existentialisme, waartoe ook de grote Nederlandse rechtsgeleerde Paul Scholten behoorde.

In de bijeenkomst gaan we na welke relevantie Unamuno’s teksten hebben in ethisch en rechtsfilosofisch opzicht. We gaan in zijn spoor op zoek naar een ‘quichotteske rechtsfilosofie’ die recht doet aan de tragische dimensies van het bestaan.


Bijeenkomst 6: Franz Kafka’s ‘Voor de wet’, de parabel in Het Proces
‘Als het je zo aanlokt, waarom probeer je dan niet tóch naar binnen te gaan, al heb ik je het verboden.’

‘Iedereen streeft er toch naar de wet te bereiken’, zegt de man, ’hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?’

‘Kun je dan geen twee stappen ver zien?’ schreeuwt de geestelijke K. vanuit de donkere kerk toe? ‘Het was in toorn uitgekreten, maar tevens de kreet van iemand, die een ander ziet vallen en omdat hij zelf geschrokken is, onbezonnen, zonder het te willen, krijst.’

Samen met Dostojevski wordt Franz Kafka (1883-1924) als één van de meest vooraanstaande existentialistische schrijvers aangeduid. In de vijfde bijeenkomst bespreekt Timo Slootweg Kafka’s duistere droomvertelling ‘Voor de wet’, onderdeel van zijn beroemde novelle Het Proces, geschreven in 1914 en gepubliceerd in 1925. Dit ‘verhaal in een verhaal’ kan worden beschouwd als de belangrijkste sleutel tot zijn gehele oeuvre. In de bijeenkomst wordt het verhaal algemenere, rechtsfilosofische betekenis toegeschreven. In Het Proces impliceert de rechtsvinding een mystiek existentieel en literair proces: een psychologisch proces van vertwijfeling en zelfwording. In dit proces wordt het zelf (dat met rechtsvinding belast is) tot een persoonlijke en creatieve beslissing aangezet. Daarmee wordt recht en gerechtigheid niet slechts ontdekt, maar juist uitgevonden en geschapen. Rechtsvinding is een vorm van kunst, zoals de parabel lijkt te suggereren. Rechtsvinding is een kunstvorm die met vrees en beven gepaard gaat. Dat is waarom Josef K. uiteindelijk niet opgewassen is hiervoor en waarom hij uiteindelijk onder de last van de vrijheid bezwijkt.

In ‘Voor de wet’ exploreert Kafka het poëtisch potentieel dat gelegen is in het ‘fantastische’ fenomeen van de bureaucratie, en in het schijnbaar antipoëtische verschijnsel van het recht. De angstwekkende confrontatie met de wet (de arrestatie van Josef K.) blijkt de tragische en paradoxale aanstoot tot een existentiële esthetica, en tot de ontwikkeling van een poëtische ethiek van rechtvaardigheid.

Synopsis van Het Proces
Josef K., een alleenstaande bankbeambte, wordt op de ochtend van zijn dertigste verjaardag in zijn slaapkamer gearresteerd. De omstandigheden van deze arrestatie zijn vreemd en absurd. De beide zogenaamde ‘bewakers’ en een ‘opziener’ verhoren hem in het bijzijn van enkele van zijn collega’s in de kamer van de buurvrouw. Waarvan hij beschuldigd wordt is niet duidelijk. Men vertelt hem alleen dat een gericht dat anoniem blijft, en dat oordeelt op basis van een onbekende wet, ‘door de schuld is aangetrokken’. Hoewel K. zich van geen overtreding bewust is, valt zijn schuldenlast niet te betwijfelen. Josef K. is eerst verbouwereerd en verontwaardigd en tracht de zaak van zich af te schudden. Daarna gaat hij in de aanval om zich vervolgens steeds intensiever in zijn proces te verdiepen en hulp te zoeken. Hij gaat op zoek naar de rechter en de aanklacht, hij neemt een advocaat in de hand en tracht zich vrij te pleiten. Al zijn pogingen om de rechtszaak te beïnvloeden en zich te verdedigen falen echter. De vreemde wet op grond waarvan hij wordt aangeklaagd onttrekt zich aan alle mogelijke rationele verklaringswijzen. Een objectieve definitie van de wet die hij overtreden zou hebben, lijkt onmogelijk te vinden te zijn. Alles wat hij probeert om de inhoud van de rechtszaak op rationele wijze te duiden loopt op niets uit. Niettemin weigert K. zijn verbeten pogingen om in het proces enige rationele legitimiteit te ontdekken en zijn queeste naar inzicht en waarheid op te geven. Een mysterieuze geestelijke zegt hem dat hij zichzelf misleidt met betrekking tot de rechtbank. Om hem zijn misvatting in te doen zien, vertelt hij hem de parabel. Hij waarschuwt hem dat hij met zijn zoektocht de veroordeling en de terechtstelling juist dichterbij brengt. Vergeefs zo blijkt, want inderdaad wordt Josef K. op de avond voor zijn eenendertigste verjaardag (een jaar na dato) vastgepakt, tot buiten de stad gebracht en ‘als een hond’ geëxecuteerd.

‘Voor de wet’ (de tekst van de parabel)
Voor de wet staat een wachter. Bij deze wachter komt een man van buiten en vraagt om tot de wet te worden toegelaten. Maar de wachter zegt, dat hij hem nu niet kan toestaan naar binnen te gaan. De man denkt na en vraagt dan, of hij later zal mogen binnentreden. ‘Het is mogelijk’, zegt de poortwachter, ‘maar nu niet.’ Omdat de poort tot de wet zoals altijd openstaat en de poortwachter opzij stapt, bukt de man zich om door de deur naar binnen te kijken. De poortwachter merkt het, lacht en zegt: ‘Als het je zo aanlokt, waarom probeer je dan niet tóch naar binnen te gaan, al heb ik je het verboden. Maar denk eraan: ik ben machtig. En ik ben alleen nog maar de laagste poortwachter. Er staan van zaal tot zaal wachters, de één nog machtiger dan de ander. De aanblik van de derde kan ik zelfs niet meer verdragen.’ Zulke moeilijkheden had de man van buiten niet verwacht; de wet moet toch voor iedereen en altijd toegankelijk zijn, denkt hij, maar als hij de poortwachter met zijn pelsjas beter bekijkt, zijn grote, spitse neus, de lange, dunne, zwarte, tartaarse baard, besluit hij toch maar liever te wachten tot hij toestemming krijgt om naar binnen te gaan. De wachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur plaatsnemen. Daar zit hij jaren en jaren. Hij doet vele pogingen binnengelaten te worden, en vermoeit de poortwachter met zijn gesmeek. De poortwachter verhoort hem vaak een beetje, ondervraagt hem over zijn thuis en over allerlei andere dingen, maar het zijn ongeïnteresseerde vragen zoals deftige heren ze stellen, en tot slot zegt hij telkens weer, dat hij hem nu nog niet kan binnenlaten. De man, die van alles had meegenomen voor de reis, gebruikt alles, ook het meest waardevolle, om de poortwachter om te kopen. Deze neemt weliswaar alles aan, maar zegt daarbij: ‘ik neem het alleen maar aan om je niet het gevoel te geven dat je iets hebt nagelaten’. Gedurende deze vele jaren bekijkt de man de poortwachter bijna onafgebroken. Hij vergeet de andere wachters, en deze eerste schijnt hem de enige belemmering voor de toegang tot de wet te zijn. Hij vervloekt het ongelukkige toeval, in de eerste jaren luid en lomp, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog maar wat binnensmonds. Hij wordt kinds, en omdat hij in de jarenlange studie van de poortwachter ook de vlooien in zijn pelskraag heeft leren kennen, vraagt hij ook de vlooien hem te helpen de poortwachter te vermurwen. Tenslotte verzwakt het licht in zijn ogen, en weet hij niet meer, of het om hem heen nu werkelijk donkerder wordt, of dat zijn ogen hem bedriegen. Wel ontdekt hij nu in het donker een glans, die onweerstaanbaar uit de poort van de wet stroomt. Hij heeft nu niet lang meer te leven. Voordat hij dood gaat verzamelen alle ervaringen van al die tijd zich in zijn hoofd tot een vraag die hij tot nu toe nog niet aan de poortwachter gesteld heeft. Hij wenkt hem, omdat hij zijn verstarrend lichaam niet meer kan oprichten. De poortwachter moet zich over hem heen buigen, want het grootteverschil is zeer ten ongunste van de man veranderd. ‘Wat wil je nu nog weten?’ vraagt de poortwachter, ‘je bent onverzadigbaar.’ ‘Iedereen streeft er toch naar de wet te bereiken’, zegt de man, ’hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?’ De wachter merkt, dat het einde van de man nadert, en om zijn verdwijnend gehoor te bereiken, brult hij tegen hem: ‘Hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. ik ga nu heen, en sluit de poort’. (vert. TS)


Bijeenkomst 7: Albert Camus, De mythe van Sisyfus
Deze lezing wordt verzorgd door dr. Hendrik Kaptein (Universiteit Leiden).

De vroege Camus in het licht van Epictetus: Toen Camus (1913‐1960) al vroeg in  zijn leven dacht op zijn sterfbed te liggen las hij Epictetus Diatribai (± 100 na  Chr.). Die ervaring heeft grote invloed gehad op zijn leven en werk, al doet zijn  Le Mythe de Sisyphe: Essai sur l’absurde (1942) dat niet snel denken. Epictetus wordt immers gezien als Stoïcijn(s), terwijl de mythe van Sisyphus uitloopt op prediking van de opstand als overwinning van het absurde.

Le mythe begint met de stelling dat zelfmoord het enige vraagstuk is dat er  werkelijk toe doet. Alle andere filosofie is daarmee vergeleken spel. Wat doet  de mens eigenlijk in de wereld? Tegenover haar zelfbewustzijn vindt zij niets  anders dan de ondoordringbare werkelijkheid van de gegeven feiten. Ik staat  tegenover niet‐ik, hoop staat tegenover werkelijkheid, intentie staat tegenover  resultaat. Iets hogers, “transcendents” of zelfs goddelijks is er niet: “God zwijgt,  net als de wereld”. Wat is de zin van het leven in de absurde eenzaamheid van  die confrontatie?

Zelfmoord lost het probleem niet op, want leidt tot niet meer dan het verdwijnen van één van de twee tegenpolen. Er is maar één oplossing: de opstand tegen het absurde, in naam van de menselijke waardigheid, los van  wat voor hogere waarden dan ook. Absurditeit moet omslaan in onvoorwaardelijke aanvaarding van jezelf en van de gegeven wereld. Leef! Zo wordt de hel van de wereld “koninkrijk”, hoe de mens haar leven ook vorm  geeft. Het gaat er niet om wat je doet (Sisyphus eeuwig doende een steen bergopwaarts te rollen), het gaat er om dat je leeft zonder de zin van je bestaan buiten jezelf te zoeken.

Dit lijkt egocentrisch of zelfs egoïstisch maar is het niet. Vergelijking van Camus’ denken met dat van Epictetus leert dat “zijn als in de wereld zijn” ook bij Camus  moet worden begrepen als mede omvattend harmonie, “één zijn” met de  medemens. Epictetus: “God heeft geen behoefte aan mensen die kniezen maar aan mensen die meedoen met het feest van het leven”. Een echt feest vier je niet in je eentje. Diezelfde Epictetus stelde: de mens vergeet dat zij in haar  geest almachtig is. Zij kan de wereld niet of nauwelijks veranderen, maar zij kan goddelijk zijn in haar almacht over haar reacties op de wereld.

Onvoorwaardelijke levensaanvaarding, daar gaat het om, bij Epictetus én bij  Camus - al lijkt Camus alleen al in zijn schrijfstijl ver verwijderd van enig stoïcisme. (Epictetus was dan ook geen stoïcijn in de gebruikelijke opvatting van dat begrip.)  Camus én Epictetus zien helemaal niets eerbiedwaardigs in positief recht. Voor hen is een rechtsorde of wat daarvoor moet doorgaan niets anders dan een deel van de feitelijkheid van de wereld, zonder enige eigen waarde. De taak van  de jurist en van de mens is om die rechtsorde net als de werkelijkheid in het  algemeen “naar haar hand te zetten”, ten dienste van de mens zelf en niet ten dienste van wat voor algemeen recht en rechtsontwikkeling ook.  Nog een overeenkomst is hun beider diepste overtuiging dat filosofie alleen zin heeft als je die zelf leeft, “voorleeft” zelfs. Denken over leven en samenleven heeft alleen zin als je de eenzaamheid en uiteindelijke zinloosheid van  fundamenteel denken achter je kunt laten, om des te beter te kunnen denken en doen samen met anderen, in de werkelijkheid.

Voorbereiding 
Albert Camus, De mythe van Sisyfus (origineel of in vertaling) 
Epictetus, Over vrijheid (Boter & Brouwer ed., bloemlezing uit de Diatriben) 

Aanbevolen literatuur: 
M. Onfray, L’ordre libertaire: La vie philosophique d’Albert Camus
I. Radisch,  Camus: Das Ideal der Einfachkeit. 
(alles al dan niet in vertaling) 


Bijeenkomst 8: Camus en de Vreemdeling: recht, empathie en het absurde
Iemand, die binnen de wet leeft, is niet bang voor een oordeel, die hem zijn plaats toebedeelt in de geordende maatschappij waarin hij gelooft.

Een kerntekst binnen 'Recht en literatuur'
Tijdens deze bijeenkomst bespreekt Claudia Bouteligier De vreemdeling (L'Étranger, 1942) van de Franse schrijver Albert Camus (1913-1960). Deze ogenschijnlijk eenvoudige, maar toch zeer rijke roman is buitengewoon relevant voor reflectie op het recht. Binnen 'Recht en literatuur' is veel geschreven over De vreemdeling (zoals door Richard Weisberg in zijn boek The Failure of the Word: The Protagonist as Lawyer in Modern Fiction, New Haven/London: Yale University Press 1984). Leidende kernconcepten (en legitimaties) van 'Recht en literatuur' komen helder naar voren, met name het belang empathie en inlevingsvermogen. Het verhaal van Meursault, de protagonist van De vreemdeling, toont een onmenselijke kant van het recht en het gevolg daarvan wanneer empathie en inlevingsvermogen ontbreken: er wordt onrecht gedaan.

In deze bijeenkomst verkennen wij een andere benadering: namelijk dat Camus juist het problematische karakter van inleving en empathie aan de kaak stelt. Leiden inlevingsvermogen en empathie inderdaad tot rechtvaardigheid, zoals in ‘Recht en literatuur’ wordt betoogd? Thematieken van eerdere bijeenkomsten, de vergeten persoon in het recht en de reducerende werking van de narratio worden treffend verbeeld in De vreemdeling.

Nietzsche en Dostojevski
Camus is in hoge mate beïnvloed door Nietzsche. Dit blijkt onder meer uit zijn protest tegen gerationaliseerde vormen van moraal en maatschappij. Ook het werk van Dostojevski heeft Camus in hoge mate geïnspireerd. Zo is het thema van de logische zelfmoord (cf. Dostojevski's belachelijke man) een belangrijk uitgangspunt in Camus' beroemde essay De mythe van Sisyphus. Een essay over het absurde (1942). Ook het probleem van de theodicee heeft Camus altijd bezig gehouden, met name de vraag hoe de liefde van God overeenstemt met het lijden van onschuldige kinderen en het onrecht dat hen wordt aangedaan (vgl. Ivan Karamazov in De grootinquisiteur).

De ongrijpbare Meursault
De vreemdeling is het relaas van Meursault, dat uit twee delen bestaat. In het eerste deel is de lezer getuige van een moord die de protagonist pleegt, en in het tweede deel staat diens arrestatie, ondervraging en proces centraal. Een ding valt direct op in het tweede deel: Meursault wordt niet gezien als persoon. Hoewel hij fysiek aanwezig is bij zijn proces, wordt hij uiteindelijk 'bij verstek' veroordeeld (cf. Levinas).

Meursaults veroordeling komt niet tot stand op basis van een juridische motivatie, maar op grond van narratieve constructies over zijn vermeende karakter. Zijn misdaad lijkt geheel naar de achtergrond te zijn verdwenen. De aanklager formuleert op zeer zorgvuldige wijze verhalen die Meursaults vreemd-zijn benadrukken en die, net als in het geval van Dmitri Karamazov, logischerwijs en dwingend naar een enkele conclusie leiden: de onomstotelijke vaststelling van schuld. Het lijkt erop dat hij door alle procesdeelnemers (niet alleen door de officier, maar ook door de jury en zelfs zijn eigen advocaat!) wordt beschouwd als een onbegrijpelijke vreemdeling. De ethische roep van zijn gelaat (Levinas) wordt niet gezien, laat staan gehoord. Meursault is een onbegrijpelijke vreemdeling die zich niet wenst te conformeren aan de geordende maatschappij. Dat is een van de redenen waarom hij moet sterven.

Meursault: een absurd mens?
In augustus 1942 schrijft Camus in een van zijn dagboeken dat De vreemdeling 'de naaktheid van de mens ten overstaan van het absurde' beschrijft. De notie van het absurde verwoordt Camus prachtig in de volgende beroemde zin: 'Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt' (De mythe van Sisyphus). De mens is een vreemdeling in de zinloze, contingente wereld. Maar wat rest ons dan nog? Met het antwoord op deze vraag onderscheidt Camus zich van Sartre - en van het existentialisme, zo zal blijken.

De absurde mens die Camus aan het eind van De mythe beschrijft, lijkt indringend te worden weergegeven in de persoon van Meursault. Wat betekent het om een absurde levenshouding aan te nemen? En wat zegt dit over empathie, inleving en het recht? Deze vragen staan centraal in de bijeenkomst 'Recht, empathie en het absurde'.

Bijeenkomsten

26 september: Inleiding: Paul Scholten over recht en levensbeschouwing
Timo Slootweg
17 oktober: Nietzsche en tragedie: Over Aeschylus’ Prometheus en de
erfenis van Plato en Aristoteles

Timo Slootweg
21 november: Dostojevski: Aantekeningen uit het ondergrondse en
de droom van een belachelijk mens

Claudia Bouteligier
12 december: Dostojevski: De legende van de grootinquisiteur
Timo Slootweg en Claudia Bouteligier
23 januari: Unamuno: Don Quichot en het tragisch levensgevoel
Timo Slootweg
20 februari: Kafka: Voor de wet (Het proces)
Timo Slootweg
19 maart: Camus: De mythe van Sisyfus
Hendrik Kaptein
23 april: Camus: De vreemdeling
Hendrik Kaptein

Alle bijeenkomsten worden gehouden op een donderdagavond van 19.00 tot 21.00 uur

 

mr. C. Bouteligier - Juridisch PAO Leiden
Cursusleider
mr. dr. C. Bouteligier
...
dr. T.J.M. Slootweg pao leiden
Cursusleider
dr. T.J.M. Slootweg
...
mr. C. Bouteligier - Juridisch PAO Leiden
Docent
mr. dr. C. Bouteligier
...
dr. H.J.R Kaptein Juridisch PAO Leiden
Docent
dr. H.J.R Kaptein
...
dr. T.J.M. Slootweg pao leiden
Docent
dr. T.J.M. Slootweg
...
Wijnhaven Den Haag

Turfmarkt 99, 2511 DP Den Haag


26 september: zaal 346                                    
17 oktober: zaal 346
21 november: zaal 202
12 december: zaal 202
23 januari: zaal 346
20 februari: zaal 346
19 maart: zaal 346
23 april: zaal 202

 

Per bijeenkomst: € 80,= (vrij van btw, zonder cursusboek)

Wanneer u voor alle bijeenkomsten inschrijft, krijgt u tijdens het inschrijvingsproces € 190,= korting.
De prijs voor de gehele leergang is hiermee dus € 450,= en u krijgt het cursusboek* er dan gratis bij.

*
CursusboekClaudia Bouteligier & Timo Slootweg, Recht en existentie in filosofie en literatuur, Turnhout: Gompel & Svacina, 2018

Maak hier uw keuze

* Er dient minimaal 1 onderdeel gekozen te worden
  • 23 april 2020
  • 28 mei 2020
Voltekend
Neem contact op
Vooraankondiging

Er wordt gecontroleerd of het mogelijk is om in te schrijven